Stilte en eenzaamheid

De gelukzalige aartsbisschop Theofilus kwam op een dag naar de Sketis. De broeders die zich hadden verzameld zeiden tot abba Pambo: ‘Spreek tot hem een stichtend woord. Maar de ouderling zei hen: ‘Als hij niet gesticht wordt door mijn stilzwijgen, zal hij ook niet door mijn woord gesticht worden’.

Stilte en eenzaamheid, de twee horen bij elkaar.

Het zijn twee pijlers van het monastieke leven. Al kunnen wij als laurieten daar niet zoveel over vertellen – onze ervaring is daartoe te beperkt – we voelen toch aan dat we ze soms missen, dat ons dagelijks leven in de wereld er een tekort aan heeft, dat ze onmisbaar zijn om onze spirituele weg te gaan. De hele wereld heeft er behoefte aan. Iedereen roept om stilte en wat met jezelf kunnen zijn, maar eens we dit hebben gevonden, worden we weer onrustig en komen de kleine demonen binnenin tot leven.

Ook hier geldt dus: oefening baart kunst.

Stilte is in abdijen en kloosters een reeds aanwezige gegevenheid, mensen in de wereld moeten daar zelf een inspanning voor leveren; we moeten ze met een stevige portie wilskracht zelf creëren, opzoeken, eigen maken en inbouwen.  Maar stilte als afwezigheid van geluid is nog geen ware stilte, we hebben ze zelfs niet altijd nodig om van binnen stil en ontvankelijk te zijn. Benedictus heeft het eerder over zwijgzaamheid, een stilte die van binnenuit vertrekt : “… dat men goede gesprekken soms terwille van de zwijgzaamheid moet achterwege laten” want “Bij veel spreken kan men de zonde niet vermijden” (RB 6), heel herkenbaar, niet ? Hoeveel schade wordt er niet aangericht door roddel, negatieve nieuwtjesvertellerij en dagelijks gemopper ! Abba Poimên zei: “Als je een voorval ziet of een gesprek hoort, vertel het niet door aan je naaste; zo wek je oorlog.” Zoals Benedictus al aanstipte: als één van de werktuigen om goed te handelen moet men “Er niet van houden om veel te spreken” (RB 4, 52). We herkennen deze zwijgzaamheid als een waarde, want vaak is ons spreken louter praten om onszelf te laten gelden of een bezigheid zonder meer en een teken dat we niet kunnen luisteren. Hoe wijs en ‘to the point’ begint Benedictus zijn regel met ‘Luister’, d.w.z. : grijp niet en leg je wil niet op, maar ontvang en gehoorzaam. Als je luistert vermijd je ook om het praten binnenin voort te zetten.

Stilte tussen mensen kan ongemakkelijk aanvoelen, omdat ze als negatief of leeg wordt ervaren. Maar we kunnen het ook anders ervaren: stilte laat de ander toe om zijn/haar stilte te beleven, nodig om God toe te laten, en kan dus helpend i.p.v. hinderlijk zijn. “De stilte die een broeder aan een andere broeder gunt is op sommige momenten het meest sprekende teken en het kostbaarste geschenk van zijn broederliefde.” Deze woorden van A. Louf zijn natuurlijk bedoeld voor monniken, maar gelden ze ook niet een beetje voor ons?

Eenzaamheid is de zuster van de stilte, ze gaan hand in hand. Eenzaamheid – niet het vereenzaamd zijn – heeft te maken met een houding van afzondering. Niet om je op je heerlijk individuele eilandje terug te trekken, maar om de juiste afstand tegenover de wereld mogelijk te maken : je niet door de wereld laten overrompelen enerzijds, je niet in een ivoren toren verschansen anderzijds.  Je moet je diepste kern onderscheiden houden in ongerepte openheid, maar zodanig dat je er steeds toegang toe behoudt (M. Braekers). Het doet ons denken aan wat over Benedictus gezegd werd: “Hij woonde met zichzelf“.  Met jezelf wonen bevordert je authenticiteit, maar er is meer : dat stuk eenzaamheid en afgescheidenheid vrijwaart de toegang tot onze diepste diepte, waar we God kunnen binnen laten.  Het meest persoonlijke, individuele en tijdelijke gaat op wonderlijke wijze over in het meest universele en eeuwige: God. Wat voorbestemd is om te sterven, gaat over in verrijzenis.

Die afstand tot de wereld vertaalt zich ook in een zekere traagheid, het is de kunst van het langzame leven. Dat betekent dat we niet op drie plaatsen tegelijk willen zijn, en niet drie dingen tegelijk willen doen, dat we minstens één halve dag per week, minstens een dik half uur per dag niet werken, stoppen en stilstaan, met milde open aandacht, zonder te oordelen, zonder iets te willen bereiken (Th. Merton)