De Palestijnse Lauras

Gaandeweg leefden de christenen in Palestina in de eerste drie eeuwen in een omgeving waarin ze hun geloof zonder vrees konden beleven. Deze veiliger omstandigheden brachten echter ook verslapping mee. Precies deze verslapping was in het begin van de vierde eeuw voor een aantal mannen en vrouwen de reden om een leven te gaan leiden van meer toewijding en ijver. Zonder zich aan hun wereldlijke en dagelijkse verplichtingen van een leven ‘in de wereld’ te onttrekken engageerden zij zich toch voor een leven zonder huwelijk, in continu gebed en vasten. Deze‘maagden’ en ‘asceten’ vond men in alle grote oosterse kerken, in Alexandrië, Jeruzalem, Antiochië, Edessa.

Chariton (in de omgeving van Jeruzalem) en H. Hilarion (in de buurt van Gaza) slaagden er in om deze godzoekers te verenigen, hen naar de woestijn te leiden, hun inzet en waarden te bundelen en hen een aantal leefregels voor de toekomst mee te geven.

De eerste laura werd door H. Chariton opgezet in Pharan (NO Jeruzalem). Als pelgrim was hij daar aangekomen, schonk een gedeelte van zijn geld aan armen en eenzamen aan de oevers van de Dode Zee, met de rest bouwde hij een kluis en vormde een spelonk om tot een kapel. Al snel kwamen gelovigen hem opzoeken om zijn leven te delen. De rotsachtige omgeving, een bergengte van Oost naar West met rotsen van 60 tot 100 meter hoog, leende zich goed voor het gebruik van de vele spelonken en uithollingen, waarvan ze cellen of kleine woongelegenheden maakten. Een ladder bezorgde hen wat veiligheid en afzondering, zodat ze er ongestoord matten en manden konden vlechten, psalmen zingen en bidden. Op zaterdag en zondag verlieten ze hun cellen om samen eucharistie vieren in de gemeenschappelijke grot, die voor het 50-tal monniken uiteindelijk te klein werd, zodat H. Chariton in 323-330 een grotere kerk diende te bouwen (13×6,5m).

Toen het aantal leerlingen te groot werd en zijn contemplatief leven begon te hinderen, liet hij de laura over aan een leerling, trok weg en vestigde zich een dagreis verder in de richting van Jericho in een grot. Ook daar werd hij opgezocht en nagevolgd. Tegen het einde van de vierde eeuw trok hij naar de laura van Douka, waar H. Elpides een grote groep leidde. Rond 345 verliet Chariton de laura van Douka richting woestijn van Juda, maar ontdekte onderweg op 2,5 km van Thécoa een eenzame bergengte waar hij dacht door niemand te zullen worden gevonden. Maar ook hier ontstond een laura, de Souka of Oude Laura genoemd, die tot in de 14e eeuw bewoond werd. Chariton overleed uiteindelijk in zijn eerste Laura van Pharan in 350.

In de vijfde en zesde eeuw liep het aantal lauras en kloosters in Palestina op tot honderd, af en toe onderhevig aan interne twisten, soms het slachtoffer van aanvallen van Arabieren, joden of moslims. Meermaals kwam een bisschop uit hun midden, en vaak mengden ze zich in de actuele theologische discussies (origenisten, manicheïsme, monophysisme, enz.).

Van veel lauras is enkel de naam bekend, toevallig vermeld in één of ander heiligenleven, vaak was hun levensduur beperkt en verdwijnt elk spoor in de zesde eeuw. Rariteiten, telepathie, mirakelen, het is er allemaal te vinden, net zoals extreem ascetisme : èèn stuk brood om de vier dagen, verbod om vuur of licht te maken, cellen op 20m boven de grond, enz..