Ontstaan

De laura (λαύρα is grieks voor steegje, pad) is een tussenvorm tussen de kluizenaars (anachoreten) en de gemeenschapsmonniken (cenobieten), die ontstaan is in Palestina, in het begin van de vierde eeuw.

Deze vorm was een minderheid: van de 130 kloosters in het Palestina van de 4e tot de 7e eeuw waren er nog geen 20 lauras.

De oudste gekende laura werd opgericht rond 330 door H. Chariton in Pharan (10 km NO-Jeruzalem). Wegens de groeiende aandacht trok hij weg en stichtte in 340 een nieuwe laura in Douka (W-Jericho) , maar ook daar vertrok hij om in 345 de ‘Oude Laura’ van Souka te stichten in de woestijn van Juda.

Twee van zijn leerlingen, Euthymius en Theocistes, volgden zijn voorbeeld en stichtten meerdere lauras. Daarna volgden Gerasimus, Saba (diens laura Mar Saba bestaat heden nog in Israël) e.a.

Mar saba ligging_0

Het fenomeen zette zich voort, met lauras in de Thebais (Egypte), Syrië, Mesopotamië, de Arabische woestijn, de Athosberg, Rusland, Italië, Ierland.

In zijn Pratum Spirituale (± 600) vertelt Johannes Mosschus talrijke anecdoten over het leven in de lauras.

Vooral de Syrische lauras waren een vervolg op het cenobitisch leven: slechts dezen die hadden geleerd samen te leven, werden toegelaten om in een laura in te trekken.

Sommige kloosters in Rusland sedert de 18e eeuw noemden zich Laura (bv het Holenklooster in Kiev en het Drievuldigheidsklooster in Zagorsk), enkel als een teken van hun belangrijker positie tegenover de andere kloosters.

In het westen is de laura nooit in zijn oorspronkelijke vorm overgenomen geweest.

In de 11e eeuw heeft H. Romualdus uit Ravenna een formule bedacht die dicht bij de laura aansluit. Hij stichtte de Camaldulenzen.

In dezelfde eeuw begon H. Bruno een verwante monastieke vorm met zijn Kartuizers, met de thans goed bekende Grande Chartreuse.

In de 13e eeuw schreef Albertus, patriarch van Jeruzalem, een regel voor kluizenaars die op de berg Karmel een laura wilden vormen. Nog geen 50 jaar later is deze regel de basis voor de Karmelieten.

In de 16e-17e eeuw gaat H. Nil Sorski in Rusland op afstand van het grote klooster leven, in een arme hut, met zes of zeven medebroeders, elk in zijn hut op beperkte onderlinge afstand.

Ook de begijnen kunnen als een verwante vorm beschouwd worden: de meesten leefden niet samen in een begijnhof (waar slechts één derde leefde), maar ergens in de stad, soms met twee of drie samen. Ze waren met elkaar verbonden en ondersteunden elkaar, maar in opmerkelijke zelfstandigheid.
Deze kleine groepen solitaire monniken leefden in mekaars buurt, in grotten of hutten, en verzamelden zich rond een abt, bij wie ze wekelijks om geestelijke bijstand gingen. Ze kwamen slechts zaterdag en zondag samen voor eucharistie, gebed, onderricht en ook voor verkoop van hun producten en aankoop van voedsel en de nodige materialen voor hun werk tijdens de week (vaak: matten vlechten). In het centrum stond een kerk, abtswoning, refter, en vaak ook een bakkerij, soms een opleidingshuis voor novicen of een rusthuis voor zieken en ouderen. De arabische benaming ‘suq’ (markt of bazar) suggereert het belang van winkels die langs de laura of in het centrum lagen.