Monologistos

Enkelen vroegen aan abt Makarius: ‘Hoe moeten wij bidden?’ De ouderling sprak tot hen: ‘Het is niet nodig om lang te herhalen; men moet slechts de handen uitstrekken en zeggen: “Heer, zoals ge wilt en weet, ontferm u”. En als je in een strijd bent  gewikkeld: “Heer, kom mij te hulp”. Hijzelf weet wel wat nodig is, en hij toont zijn barmhartigheid’.

De woestijnvaders hebben ervaren dat, hoe meer men bidt met het hart in plaats van met het hoofd, hoe eenvoudiger het gebed wordt … tot het uiteindelijk slechts één zin uit de psalmen of het evangelie wordt, soms zelfs maar één woord, een ‘mono-logistos’.  De woestijnvaders hebben vooral drie monologistoi doorgegeven: “Heer, ontferm u” – “Heer, kom mij te hulp” – “God zij dank” of “Ik zegen u, God”.

We hoeven het niet ver te zoeken. Vaak kunnen we een zin of een woord uit de psalmen, het evangelie of een bezinningstekst ’s ochtends, wat langer laten doorwerken zodat hij in de loop van de dag dichtbij blijft en soms spontaan opwelt.

In zijn tiende gesprek raadde Cassianus (360-435) de formule aan ‘God, kom mij te hulp; Heer haast u mij te helpen’ (Ps. 69,2). Het dient voortdurend aanwezig te zijn, herhaald te worden, zodat onze gedachten niet afdwalen, maar we integendeel “door de herhaling van één vers heel het gebied van het zichtbare verlaten, in een paar woorden de gevoelens van welhaast alle gebeden samenvatten.”

Het is een praktijk die in het monastieke leven een plaats heeft gekregen; immers, de gezamenlijke gebedstijden mochten volgens Benedictus niet te lang zijn, zodat er voor de monnik nog tijd restte voor het persoonlijk gebed met het hart. “Het gebed moet kort en zuiver zijn, tenzij men zich door een verlangen, ingegeven door Gods genade, gedrongen voelt ermee door te gaan. Maar als er in gemeenschap gebeden wordt, moet het gebed heel kort zijn” (RB 20, 4-5).

In de oosterse kerk kent het Jezusgebed nog steeds een brede praktijk. In zijn oorspronkelijke vorm is het ‘Heer Jezus Christus, zoon van de levende God, ontferm u over mij, zondaar’, maar het wordt ook in verkorte vorm of licht aangepast gebeden, zowel individueel als per tien afwisselend in groep, een hele tijd door. Het Jezusgebed komt volop centraal te staan in een anoniem boekje uit de 19e eeuw: De weg van een Russische pelgrim. Daarin komt het alsmaar opdrijven van het aantal gebeden tot een werkelijk ononderbroken gebed.

“In het gemurmel van dit ene woord daagt een intense stilte op, waarin God aanwezig wordt. Dan spreken wij niet langer dit woord uit, maar veeleer horen we het klinken, alsof het door een andere wordt uitgesproken in het diepste van ons hart: door de Geest die in ons bidt” (A. Louf). Het mondgebed wordt stilaan een louter inwendig gebed.

Lees verder :

Een monnik van de oosterse kerk, Jezusgebed, Gottmer 1984

Kallistos van Diokleia, De kracht van de naam, Het Jezusgebed in de Orthodoxe spiritualiteit, Orthodox Logos 2007

Anoniem, De weg van een pelgrim, Synthese 2000