Gebed

Broeders deden dit verhaal: ‘Wij gingen eens bij ouderlingen op bezoek en volgens gewoonte werd er een gebed verricht, we omhelsden elkaar en gingen zitten. Na beëindiging van het gebed verzochten wij alvorens te vertrekken weer om gebed. Toen vroeg een ouderling ons: “Wat nu, hebt u dan niet gebeden?” En wij antwoordden hem: “Ja, toen wij aankwamen, abba, is er gebeden, maar tot nu toe hebben we gesproken.” De grijsaard sprak: “Neemt u mij niet kwalijk, broeders, te midden van u zat een broeder die, hoewel hij sprak, 103 gebeden verricht heeft.” En toen hij dat gezegd had, verrichtten zij een gebed en zij lieten ons heengaan.’

 

Het gebed hoort niet als een afzonderlijke oefening of praktijk beschouwd te worden. In wezen is het ons ononderbroken leven in Gods aanwezigheid.

Voor wie ‘in’ de wereld leeft is zo’n ononderbroken of zelfs maar geregeld weerkerend bewustzijn nog veel minder haalbaar dan voor monniken, maar dat hoeft geen frustratie op te leveren.  Op momenten in de loop van de dag waarop we echt bewust zijn van Gods aanwezigheid, zijn Woord beluisteren of uitdrukkelijk onze relatie beleven in een intiem gesprek met Hem, merken we dat Hij er voordien al was en dat wij al voordien van Hem wisten; het is dan alsof wij elkaar ‘terugvinden’, de tussentijd is dan slechts een tijd van verwachting geweest.

Dom A. Louf schrijft daarover: “In staat van genade leven betekent altijd, op een diep niveau van mijn wezen, leven in staat van gebed. In het begin is dit gebed volstrekt onbewust. Al mijn inspanning zal er juist in bestaan om dit gebed aan de oppervlakte te laten komen in mijn bewustzijn. Niets meer. Van onbewust moet het gebed bewust worden.” (André Louf, La voie cistercienne, À l’école de l’Amour, Desclée de Brouwer 1980, 72). Dit bewustzijn brengt een verantwoordelijkheid mee: niet de eigen wil volgen, maar de wil van God: “Samenvallen met Zijn wil, die we liefdevol in ons hart waarnemen, is reeds  op de meest eenvoudige manier in gebed zijn; misschien is het het meest volmaakte gebed” (A. Louf, o.c., 91)

Maar laat ons ook nederig zijn: ons gebed is meestal erg schamel en ik-gericht. Toch is dit een gebed, zelfs al is het maar een hulpkreet (A. Louf, M. Casey).  Ook de psalmist bad: “Uit diepten roep ik U, Heer” (ps. 130, 1) en zei Bernardus niet: “Wie zijn ellende verbergt, verjaagt ook de genade” ?

 

Lees verder

Anthony van Sourozh (Bloom), De weg naar binnen, 2010

Casey Michael, Naar God – Inleiding tot de praktijk van het gebed, Lannoo/ Abdij Bethlehem 2007

Emery Pierre-Yves, La prière au cœur de la vie, Presses de Taizé 1971

Lafrance Jean, Het gebed van het hart, Abdij Bethlehem Bonheiden 1981

Louf André, Heer, leer ons bidden, Lannoo 1972

Louf André, L’œuvre de Dieu, un chemin de prière, Lethielleux  2005

Matta-el-Maskîne, L’expérience de Dieu dans la vie de prière, Bellefontaine 1997

Merton Thomas, Contemplatief gebed, Meinema 2003

 

Bolshakoff Serge, Heer, maak het stil in mijn hart, Abdij Bethlehem Bonheiden, 1983