… et labora

Toen de heilige abt Antonius in de woestijn verbleef, overvielen hem een lusteloosheid en zeer sombere gedachten. En hij sprak tot God: ‘Heer, ik wil gered worden en mijn gedachten staan het mij niet toe. Wat moet ik in mijn kwelling doen ? Hoe kan ik toch gered worden ?’ En hij stond op, ging naar buiten, en toen zag Antonius iemand zoals hijzelf die zat te werken, dan van zijn werk opstond en bad, en weer ging zitten om aan zijn touw te vlechten, om daarna opnieuw op te staan om te bidden. Het was een engel van de Heer, uitgezonden om Antonius terecht te wijzen en gerust te stellen. En hij hoorde de engel zeggen: ‘Doe zo en u wordt gered’. En het horen hiervan schonk hem grote vreugde en moed. En hij deed aldus en werd gered.

 

‘Werken’, het is alsof wij die “in” de wereld leven er alles over weten, en zeker meer dan monniken en monialen. Toch kunnen wij leren van hun monastieke wijze van omgaan met het werk, van hun ervaring om bij het werk altijd wat ruimte of leegte open te laten, zodat het gebed nooit ver af is. De gouden regel uit de monastieke traditie is immers de ritmische afwisseling tussen werk en gebed; daarbij is ook de afwisseling, de stopzetting, de onderbreking op zich van onschatbare waarde. * Liever vaak een kort gebed dan enkele lange gebedstijden, zo wordt het gebed doorheen de hele dag geweven.

Maar ook monniken en monialen worden tegenwoordig op de proef gesteld en moeten wakker blijven om aan de wetmatigheden van de extramurale wijze van werken te kunnen ontkomen.

Wellicht kunnen wij wederzijds van elkaar leren.

 

* A.Louf, L’œuvre de Dieu – un chemin de prière, Lethielleux 2005, 48

 

Lees verder :

Ruppert Fidelis – Grün Anselm, Het verweven zijn van gebed en arbeid, in Bid en Werk voor de Heer in ware broederliefde, Monastieke Cahiers 33, Abdij Bethlehem Bonheiden 1986, 7 – 83.

Derkse Wil, Gezegend werk: een benedictijnse kijk op ons dagelijks werk, inGezegend Leven, Benedictijnse richtlijnen voor wie naar goede dagen verlangt, Lannoo 2007, 81 – 98.