De Laura in de geschiedenis

Laura (uitspr. Lavra) is Grieks voor: steegje, dwarsstraat, zijgang.

In de 4e eeuw komt de term voor om een groepering van kluizenaarsaan te duiden, hoofdzakelijk in de woestijnen in Judea en rond de Dode Zee. Men denke daarbij echter eerder aan holen en rotsen dan aan glooiende zandheuvels ! De eerste werd in 330 gesticht door de H. Chariton in Pharan (1) . De laura is dan de verbindingsader tussen de cellen (of grotten) van monniken die als kluizenaars in elkaars buurt leven, op een afstand dat ze mekaar niet konden zien of horen, vaak meerdere kilometers. De laura wijst dus op een monastieke leefformule tussen die van de anachoreten (kluizenaars) en die van de cenobieten (gemeenschapsmonniken). Het was een mengvorm of tussenvorm, waarbij de monniken de ganse week als kluizenaars leefden, maar op zaterdag en zondag samenkwamen om samen te bidden, agapè en eucharistie te vieren, en lering op te doen bij hun gemeenschappelijke geestelijke vader (2). Ze verhandelden bij die gelegenheden ook de producten die ze hadden gemaakt en schaften nieuwe materialen aan in winkeltjes langs die laura. Vandaar dat laura in het arabisch soek of bazar genoemd wordt (3)

Veel voorbeelden van die gulden middenweg van monastiek leven heeft de westerse christenheid nooit gekend.

De heilige Romualdus uit Ravenna heeft in de 11e eeuw een formule bedacht die wellicht het dichtst bij dit oosterse model aansluiting vindt. Hij is de stichter van de Camaldulenzen, naar de naam van het moederklooster nabij Arezzo: Camaldoli.

Ook de heilige Bruno († 1101) wou iets dergelijks met zijn Kartuizers: ze zijn samenwonende kluizenaars met een beperkt pakket aan gemeenschappelijke praktijken. De film 'Into great silence' gaf een beklijvende inkijk in hun leven.

Begin 13e eeuw schrijft Albertus, de patriarch van Jeruzalem, een regel voor kluizenaars die op de berg Karmel samen een Laura willen vormen. Minder dan vijftig jaar later wordt die regel wat herschreven en dient hij voor een nieuwe bedelorde in het Westen, de Karmelieten.

In het Rusland van de 16e-17e eeuw zien we de heilige Nil Sorski een nieuwe wending geven aan het monastieke leven door op afstand te gaan leven van het grote klooster, in een arme hut, en dit met zes of zeven anderen, elk in een hut op bereikbare afstand van elkaar. Hij kiest bewust voor de middenweg en citeert daarbij Johannes Climacus van de Sinaï (ca. 600) die eveneens die formule met twee of drie hoger aanprijst dan het leven geheel alleen of in grote cenobia.

In sommige opzichten zou men ook de beweging van de begijnen in de buurt kunnen brengen van het monastieke model van de Laura: in de middeleeuwen leefden de meeste begijnen immers niet in het begijnhof zelf maar ergens in de stad, alleen of met twee of drie. Ze hadden onderlinge relaties met elkaar, ondersteunden en inspireerden elkaar, maar verder leefden ze in opmerkelijke zelfstandigheid. Slechts een klein deel (één derde, zo schat men) leefde in gestructureerde begijnhoven.

(1) Brésard L., Aux sources du monachisme, in Le Désert, Connaissances des Pères de l’Église 1998, 8

(2) Desprez V., Le monachisme primitif, Bellefontaine 1998, 287; Van Der Horst P.W., De Woestijnvaders, 12

(3) Chitty D.J., Et le désert devint une cité, Bellefontaine 1996, 49